Inspanningstesten bij kinderen

Donderdag 18 maart 2021 heeft de 2e online lezing plaatsgevonden. Deze werd verzorgd door Tim Takken. Tim is medisch fysioloog, met als specialisatie inspanningsfysiologie. Op zijn website www.timtakken.nl zijn o.a. scoreformulieren te downloaden van de testen die hij tijdens deze lezing bespreekt.

Inspanningstesten zijn de aangewezen meetinstrumenten om de fitheid van een kind in kaart te brengen.  Aan de hand van deze test(en) kan een trainingsprogramma opgesteld worden. Gedurende de training vinden meerdere momenten van evaluatie plaats door opnieuw deze test(en) af te nemen, waarna het trainingsprogramma aangepast wordt.

In de eerste lijn wordt vaak gebruik gemaakt van veldtesten. Deze zijn non-invasief en dynamisch. Ze staan dicht bij wat het kind in het dagelijks leven doet.  Het gebruik van een harstslagmeter, zuurstofsaturatiemeter en een Borgschaal wordt aangeraden. Wanneer je een niet-pluis gevoel krijgt bij het afnemen van een inspanningstest, is het van belang om het kind door te sturen voor verder onderzoek.

Tegenwoordig hebben veel kinderen geen inspanningservaring. Ze vinden het raar en soms beangstigend als ze gaan hijgen, zweten, buiten adem raken en een snelle hartslag krijgen. Het is van belang om deze kinderen duidelijk te maken dat dit bij inspanning hoort en dat ze er niet bang voor hoeven te zijn.

Tim geeft een opsomming van de meest geschikte veldtesten en hoe deze testen op de juiste manier af te nemen. Aerobe testen: 6 minutenwandeltest (6MWT) , Shuttlewandeltest, en Fittkidsprotocol op de loopband. Anaerobe testen: MusclePowerSprintTest (MPST), Shuttle Sprinttest, Steep Ramp Test. Testen voor rolstoelgebruikers: Shuttle Ride Test (SRiT), 6 minuten push test

Tenslotte legt hij uit hoe de vertaling van test naar training te maken. Wanneer tijdens onderzoek echter blijkt dat een kind weinig kracht heeft, is het raadzaam om eerst te beginnen met krachttraining alvorens te starten met conditietraining.

De 80 aanwezige leden waren enthousiast over deze 2e online lezing. Er was de mogelijkheid om middels de chat vragen te stellen.

Extracorporale Shock Wave Therapie bij spastische cerebrale parese (CP); Hype of Hoop?

Woensdag 11 november 2020

Ivo van Helden en Thijs Janssen zijn de eerste sprekers in de geschiedenis van het RVFK met het
geven van een online lezing! Na het annuleren van enkele lezingen in 2020 door Corona zijn we blij
dat we online toch elkaar weer kunnen inspireren en kunnen leren over nieuwe ontwikkelingen
binnen de kinderfysiotherapie.

Ivo van Helden en Thijs Janssen nemen ons allereerst mee in de geschiedenis van Extracorporale
Shock Wave Therapie (ESWT). Extracorporale Shock Wave Therapie (ESWT) is binnen Nederland
vooral bekend als behandelmethode voor peesproblematiek. Bij ESWT worden er geluidsgolven
gecreëerd die zich verplaatsen via een apparaat vanaf de buitenkant van het lichaam naar de spier
die behandeld moet worden in het lichaam. Het gaat hierbij niet om elektrische schokgolven maar
om mechanische geluidsgolven. De afgelopen jaren is er steeds meer wetenschappelijke onderzoek
gepubliceerd waaruit blijkt dat ESWT spierspanning verlaagd, gewrichtsbewegelijkheid verbeterd en
ook het lopen kan verbeteren (mits dit beperkt is door een hoge spanning in de kuitspieren) bij
spasticiteit.
De verschillende vormen van shockwave worden besproken, waarbij in Nederland vooral gebruik
wordt gemaakt van de radiale vorm. De huidige inzet van ESWT, met indicaties, wordt besproken.
Hierbij wordt nadrukkelijk besproken dat ESWT geen ‘stand alone behandeling’ is, maar altijd
onderdeel is van het totale behandelplan. Belangrijk hierbij is ook de afstemming met de
revalidatiearts.

Ivo en Thijs nemen ons mee in de definitie van spasticiteit en een nieuw conceptueel framework voor
hyperweerstand. De werking van ESWT bij hyperweerstand wordt uitgelegd, waarbij de versie in ‘Jip
en Janneke-taal’ ook voor sommige kinderfysiotherapeuten verhelderend werkt!
Casussen uit de praktijk komen aan bod, waardoor de toepassing van ESWT duidelijker wordt.
‘Wat zegt de wetenschap over dit onderwerp’, is het volgende en tevens laatste onderdeel van de
online lezing. De veiligheid van ESWT bij spasticiteit wordt besproken en de korte en lange termijn
effecten, helaas is het nog niet duidelijk wat de effecten op lange termijn zijn. De werking van
shockwave wordt vergeleken met botox bij CP. Tot slot komt ook nog de ‘Evidence statement
extracorporale shockwave bij spasticiteit (hyperweerstand) bij cerebrale parese – conceptversie’ aan
bod.

De ruim 50 aanwezig leden waren enthousiast over de eerste online lezing! De lezing werd op een
zeer interactieve manier verzorgd, met poll’s, een Quiz, een Energizer en de mogelijkheid om tijdens
de lezing via de chat direct vragen te kunnen stellen.

Autismespectrumstoornissen. Bewegen: veranderen van houding, ontroeren of overhalen? Het verstaan van andere betekenissen

Afgelopen woensdag 27 november heeft alweer de vierde en laatste inspirerende lezing van 2019 plaats gevonden. Birgitta Cox gaf een lezing over autisme bij kinderen. Birgitta is GZZ psycholoog en orthopedagoog-generalist, zij is werkzaam in een eigen praktijk, daarnaast werkt zij voor het centrum voor consultatie en expertise(CCE) en geeft zij op verschillende plaatsen onderwijs met betrekking tot autisme.

Allereerst worden we bijgepraat over de nieuwe inzichten die in de afgelopen jaren op het gebied van autisme zijn ontwikkeld, zoals bv. kinderen met ASS steunen veel op hun visuele informatie, zij hebben een verminderde competentie beleving en angstniveau speelt vaak een grote rol zeker ook binnen het motorisch functioneren. Het autisme uit zich bij jongens anders dan bij meisjes en vaak gaan kinderen( en ook volwassenen) met autisme over hun eigen grenzen heen.

De theorieën als de Theory of Mind, centrale coherentie en het voorspellende brein werden besproken.

Het uitpluizen van betekenissen d.m.v. micro kijken is van groot belang om te kunnen begrijpen waarom bepaald gedrag optreedt. Dit vraagt een specifieke vaardigheid en tijd. Een aantal voorbeelden werden door Birgitta besproken, zo ook werden de vooraf ingestuurde vragen besproken. Duidelijk is dat er geen 1 op 1 kant en klare oplossing is, maar dat elke situatie weer opnieuw geanalyseerd moet worden om het te kunnen begrijpen en het voor kind en ouders inzichtelijk te maken. Zo kan men tot een oplossing te komen waarin het kind open staat voor ontwikkeling/leren.

De lezing werd door 40 mensen beoordeeld, waarbij het overgrote deel een goede beoordeling gaf voor zowel de inhoud als de wijze van presenteren. 18 mensen willen graag nog een verdieping maar dan vooral gericht op praktische casusbesprekingen. Deze lezing is met 3 punten geaccrediteerd voor het kwaliteitsdeel.

Onderzoek naar inspanningsgerelateerde pulmonale klachten bij kinderen

Donderdag 26 september 2019

Voor het eerst voor het RVFK in het restaurant van het ziekenhuis in Weert, werd door Lianne van der Giessen een zeer interessante lezen gegeven over inspanningsgerelateerde pulmonale klachten bij kinderen. Lianne is werkzaam als kinderfysiotherapeut in het Erasmus MC Sophia Kinderziekenhuis.

De lezing start met de klachten die een kind zelf aan kan geven bij inspanningsgebonden klachten, zoals een kloppend gevoel op de borst, pijn op de borst, benauwdheid of een gierende en piepende ademhaling. Dit hoeft niet overeen te komen met de klachten die de ouder beschrijft. Er volgt een uiteenzetting van verschillende hypotheses en differentiaal diagnoses waar je aan kunt denken bij inspanningsgebonden klachten. Onder andere verminderde conditie, dysfunctioneel adempatroon, hyperventilatie, vocal cord dysfunctie, anatomisch afwijkingen en inspanningsgebonden astma worden uitgebreid besproken.

Hierbij komt aan bod de anamnese, waarbij onder andere het beweegpatroon van het kind in kaart wordt gebracht. Vaak wordt duidelijk dat veel kinderen niet voldoen aan de Nederlandse Norm voor Gezond bewegen. Het is ook heel belangrijk om eventuele stress- en angstfactoren in kaart te brengen en te beoordelen of deze mogelijk ook door andere disciplines behandeld moeten worden. Tijdens het onderzoek worden de factoren besproken die zichtbaar, hoorbaar en meetbaar zijn, hetgeen met filmpjes wordt geïllustreerd. Tot slot wordt er ingegaan op de mogelijke behandelvormen en adviezen die je aan kind en ouders kunt geven.

Onze opgedane kennis wordt nog getest met een quiz, waarbij de winnaar met een (lekkere) prijs naar huis gaat.

De lezing werd door 34 mensen beoordeeld, waarbij het overgrote deel een zeer goed voor zowel de inhoud als de wijze van presenteren gaven. Deze lezing is met 3 punten geaccrediteerd

Ontwikkelingsaspecten bij kinderen met een (cerebrale) visuele beperking

Dinsdag 18 juni 2019

Op deze warme dinsdagavond werd een mooie en interessante lezing gegeven door Irma Uijen de Klein, orthopedagoge bij Visio Nijmegen, Ida van Boekel, ambulant begeleidster en stagaire Eva ( opleiding orthopedagogiek).

Het eerste gedeelte was plenair, waarin Irma Uijen de Klein uitleg gaf over de lagere visuele functies en hun stoornissen en de hogere visuele functies waaronder de grote groep aan centraal visuele informatieverwerkingsstoornissen ( CVI).
Hoe worden deze stoornissen onderzocht en welke invloed heeft een visuele beperking op de ontwikkeling van een kind. Ook was er informatie over de signalen die je als fysiotherapeut kunt waarnemen als er mogelijk sprake is van een CVI.

Vervolgens werd de groep in drieën gesplitst en werden er door Eva, Ida en Irma praktische workshops gegeven.
Eva nam ons mee in de wereld van het slechtziende kind door grof en fijnmotorisch bezig te zijn met een bril die een visuele beperking simuleerde.
Bij Ida hadden we de primeur van de door VISIO ontwikkelde toolkit CVI: aan de hand van een tiental opdrachten werden de onderdelen van aandachtstoornissen in het waarnemen bij CVI ervaren met de toolkit.
Irma had diverse filmfragmenten van jonge kinderen met een visuele stoornis en een door Visio ontwikkeld informatiefilmpje over CVI. Op een heel praktische manier werd er samen gekeken naar de signalen die we zagen bij de kinderen met verschillende visuele stoornissen.

Afsluitend was er een terugkoppeling van de workshops en aandachtspunten voor benadering en begeleiding van kinderen met visusstoornissen.

De lezing was goed bezocht. De lezing in het algemeen werd door 11 deelnemers als zeer goed beoordeeld en 23 deelnemers met een goed (2 deelnemers met neutraal). De manier van presenteren werd door 20 deelnemers met een goed beoordeeld en 16 deelnemers met een zeer goed. Vooral de workshops vond men interessant, verhelderend en goed.

Revalidatie van kinderen met NAH en het gebruik van technologie

19 november 2018

Afgelopen maandag hebben we weer een inspirerende lezing gehad bij het RVFK. Chris Gmelig Meyling en Joep Janssen, beide werkzaam bij revalidatiecentrum de Hoogstraat, hebben ons meegenomen in de wereld van Niet-Aangeboren Hersenletsel (NAH) en het gebruik van technologie binnen de kinderrevalidatie.

Chris heeft ons inzicht gegeven in de doelgroep NAH. Er is gesproken over classificatiesystemen, de gevolgen van NAH en het behandelbeleid aan de hand van de zorgstandaard NAH (www.hersenstichting.nl). Deze zorgstandaard doorloopt een 5-tal fasen, van het eerste herstel in de acute fase naar volledige participatie. Op basis van een casus hebben we deze fasen doorlopen en is de rol van de kinderfysiotherapeut binnen de multi- disciplinaire behandeling besproken. Hierbij is niet alleen gekeken naar de rol van de kinderfysiotherapeut in het ziekenhuis en revalidatiecentrum, maar ook naar de rol van de kinderfysiotherapeut in de eerste lijn. Tot slot heeft hij ons kennis laten maken met een nieuw meetinstrument om de grof motorische mogelijkheden van deze specifieke doelgroep in kaart te brengen, de Acquired Brain Injury – Challenge Assessment (ABI-CA).

Joep heeft ons meegenomen in de wereld van de technologie en het gebruik hiervan binnen de behandeling van kinderen. Het begrip technologie is erg breed; er kan gedacht worden aan diverse games, maar ook aan bijvoorbeeld apps, online huiswerkprogramma’s of meters die fysieke fitheid meten bijvoorbeeld de fitbit. Deze technologie kan ingezet worden als aanvulling op de reguliere therapie en kan verschillende doeleinden hebben; activeren, monitoren, educatie geven, sociale interactie bevorderen of specifieke oefeningen doen. Belangrijk is dat dit geen vervanging kan zijn van de reguliere therapie, maar wel een zeer waardevolle aanvulling! Bij gebruik ervan, moet men zich er wel bewust van zijn met welk doel deze technologie ingezet wordt.

Ter afsluiting is er gesproken en gediscussieerd over de moeilijkheid om technologie te ontwikkeling voor therapeutische doeleinden. Het is belangrijk dat er mogelijkheden zijn om therapeutische variabelen in te stellen zodat er patiëntspecifiek geoefend kan worden, echter is er ook een marketingkant waar rekening mee gehouden moet worden. Echter blijven er veel ontwikkelingen gaande wat betreft de technologie en biedt dit veel potentie voor de toekomst.

Een interessante website om in de gaten te houden is het Fysio Future Lab van Hogeschool Utrecht.

Deze interessante lezing is beoordeeld door 45 deelnemers met een goed tot een zeer goed voor de lezing in het algemeen en eveneens voor de wijze van presenteren.

Deze lezing is met 3 punten geaccrediteerd.

Meetinstrumenten innovatie: POS en GMFM

26 september 2018

De lezing ”Meetinstrumenten innovatie: POS en GMFM”,  gehouden door Ingrid Meeuwsen en Cis Knols-Merk is bezocht door ruim 50 leden. De inhoud van de lezing en de manier van presenteren over het algemeen is beoordeeld als neutraal tot goed, door enkelen zelfs als zeer goed.

Ingrid Meeuwsen is kinderfysiotherapeut / MPPT bij Adelante kinderrevalidatie. Cis Knols is kinderfysiotherapeute bij Adelante kinderrevalidatie. Tevens is zij docent bij de cursus POS van de SBOK.

Het eerste deel van de lezing werd verzorgd door Cis die uitleg gaf over de ontwikkeling en het ontstaan van de POS. De POS (participatie ontwikkelingsstappen schaal) is een evaluatief instrument voor kinderen met een ontwikkelingsleeftijd tussen 0 en 5 jaar. Gebaseerd op de “kleine stapjes” van De Graaf (1989) en verder ontwikkelt en aangepast door Frans Sleijpen en Peter van Essen. Het doel van de POS is het systematisch in kaart brengen van de uitgangssituatie en de vorderingen van een kind in de diverse ontwikkelingsgebieden (conform de kinderRAPP) op het niveau van participatie en activiteiten. De POS kan afgenomen worden via observatie of via interview met ouders/verzorgers. Door het digitaal invullen van de diverse domeinen wordt er een grafiek van het ontwikkelingsprofiel verkregen, waardoor sterke en zwakke kanten van kind zichtbaar worden. De POS is geen normatief instrument en geen screeningsinstrument. Het is een geschikt instrument voor inter- of transdisciplinaire teams, maar ook voor monodisciplinair werkende behandelaren in de eerste lijn. Er zal tijdens deze lezing in het kort ingegaan worden op de ontwikkeling van de POS, het doel, de manieren van afname, scoring en interpretatie van de score.

Na de pauze werden de ontwikkeling en varianten op de GMFM uitgelegd door Ingrid. De Gross Motor Function Measure (GMFM) is een instrument dat speciaal ontwikkeld is om veranderingen in het grof-motorisch functioneren van kinderen met cerebrale parese vast te leggen. Het is een evaluatief instrument om veranderingen in de tijd of na een behandeling te meten. De GMFM88 is ontwikkeld in Canada (1989) door Russell ea. De Nederlandse uitgave is in 1999 op de markt gekomen. De test is verder ontwikkeld. Nu ook gevalideerd voor kinderen met NAH en met Down syndroom. Vanuit de GMFM88 is de GMFM66 ontwikkeld, waarbij de score digitaal verwerkt wordt en een percentiel score levert. De GMFM-IS (itemset), waarbij de duur van de afname korter is. De Quality Function Measure (Quality FM) (Wright et al., 2014) is een observationele klinische schaal die oog heeft voor kwaliteit van bewegen en wordt toegepast op de dimensies D (staan) en E (lopen /rennen/ springen) van de Gross Motor Function Measure (GMFM-66) Er werd tijdens deze lezing kort
ingegaan op het doel, de manier van afname en de score van de GMFM 88 en 66 alsook Quality FM.

Deze interessante lezing is geaccrediteerd met 3 punten!

Wat beweegt jou?! Bewegen en sporten in de buurt voor kinderen met beperkingen

7 juni 2018

 

De lezing ”Wat beweegt jou?! Bewegen en sporten in de buurt voor kinderen met beperkingen”,  gehouden door Manon Bloemen, Noortje Vrolijk en Karen Lenders is bezocht door ongeveer 45 deelnemers. Zij hebben de inhoud van de lezing en de manier van presenteren over het algemeen als goed beoordeeld, een tiental zelfs als zeer goed.

 

Manon Bloemen is kinderfysiotherapeut en klinisch gezondheidswetenschapper en verbonden aan het Lectoraat Leefstijl en Gezondheid en het Instituut Bewegingsstudies (geeft o.a. les aan derde jaar studenten van de Master Kinderfysiotherapie) van de Hogeschool Utrecht. Ze is op 07-06-2017 gepromoveerd op het onderwerp fitheid en fysiek beweeggedrag van (rolstoelrijdende) kinderen met spina bifida. Op dit moment is Manon senior onderzoeker binnen de lijn Kind en Beweging (Lectoraat Leefstijl en Gezondheid) en projectleider van “Wat beweegt jou?!”. Tijdens dit project ontwikkelen ze in co-creatie toolboxen om kinderen met een beperking te ondersteunen in participatie in dagelijkse beweegactiviteiten.

Noortje Vrolijk is sportconsulent van gemeente Venlo, Karen Lenders van gemeente Peel en Maas.

 

Manon gaf in het eerste uur een heldere en enthousiaste presentatie over o.a. het belang en de mogelijkheden van het sportende kind met beperking in de buurt.

Als kinderfysiotherapeut wil je een kind met beperking laten meebewegen met beweegactiviteiten in de buurt als aansluiting op de therapie. Heb je hiervoor de juiste tools? Kinderen hebben zelf ook vaak de hulpvraag om mee te kunnen bewegen in de buurt. Door mee te kunnen doen, wordt hun fysieke activiteit verhoogd.

– Wat is fysieke activiteit? Dit is: het sporten, maar ook actief buiten spelen, naar school fietsen/lopen, enz. Dus het hele scala van bewegen gedurende de dag.
– Voordelen van fysieke activiteit: Bewegen is belangrijk voor de gezondheid, algemene ontwikkeling, cognitie, enz.
– Welke factoren spelen een stimulerende rol bij verhogen van de fysieke activiteit? Genetische factoren, de gezondheid, maar ook de omgeving zoals ouders, gymjuf, enz.

Kinderen met beperking bewegen beduidend minder dan zonder beperking. Manon heeft hier veel onderzoek naar gedaan (oa het HALYNeD; belemmerende en bevorderende factoren voor fysieke activiteit bij kinderen en jongeren met spina bifida).
De intentie is heel belangrijk. Kinderen vinden sporten leuk, omdat ze het leuk vinden samen met vriendjes te bewegen, niet omdat het gezond is. Sommige kinderen hebben duidelijk een prikkel van buitenaf nodig. Attitude en stukje eigen geloof. Het vertrouwen dat een persoon heeft: “kan ik wel mee bewegen?” We trainen vaardigheden, maar trainen we ook oplossing gericht bewegen? Dat heeft een kind vaak nodig met een beperking. Stukje zelfvertrouwen verbeteren bij het kind. Hier kunnen we iets meer aandacht aan besteden. Andere factoren die meespelen: de gezondheid van een kind; de conditie; IQ; diagnose; onlangs opgenomen in ziekenhuis; ziektes; rolstoelvaardigheid.

De externe factoren hierbij zijn: o.a. de ouders (faciliteren/ belemmeren); de gymjuf; sociale invloed. Zie het model beschreven in de hand-out.

De individuele aanpak is zeer belangrijk. Ga uit van de mogelijkheden. Sluit aan bij belangrijke levensloop/ gebeurtenissen van het kind. Ontwikkel faciliterende factoren.

Het project “Wat beweegt jou?” is gestart met als doel het ontwikkelen van tools om ouders en kinderen met beperking (en kinderfysiotherapeuten) te ondersteunen in participatie in beweegactiviteiten in de buurt. Voorlopige resultaten van 4 master studenten die interviews hebben afgenomen bij buurtsportcoaches, kinderfysiotherapeuten en ouders staan in de verspreidde hand-out.

Na de pauze kwamen Noortje en Karen aan het woord. Voor hun functie bestaan vele namen zoals: Combinatiefunctionaris, sportcoach, buurtcoach, buurtsportcoach, beweegmakelaar, sportconsulent. Ze zijn verbonden aan Iedereen kan sporten Noord-Limburg.
“Iedereen kan sporten”: Sportregio Noord-Limburg is een samenwerking tussen zeven gemeenten: Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Peel en Maas, Venlo en Venray. Verschillend gemeenten, verschillende uitgangspunten. Sportcoaches organiseren allerlei evenementen, bieden sporten aan en bewegingsprogramma’s, doen aan deskundigheidsbevordering. Ze proberen mensen met beperking aan sporten te krijgen. Sport is hierbij geen doel, maar een middel.

 

Zinvolle website/app:

–  http://www.iedereenkansporten.nl/ : zinvolle informatie over aangepast sporten in Noord-Limburg.

https://www.unieksporten.nl/apps : de Uniek Sporten app: ben je altijd op de hoogte van alles wat je op sportgebied wilt weten! De app bevat een volledig overzicht van sporten en bevat filmpjes om je te laten zien wat de sporten inhouden. Daarnaast vind je in de app alle gegevens van de sportaanbieders die de sporten aanbieden, evenals tijden en locaties.

 

Kind met een beperking (iedereen waarbij het reguliere sportaanbod niet vanzelfsprekend is) dat wil gaan sporten (sportvereniging, sportevenement, activiteitencentrum, club extra, enz) kan zich in verbinding stellen met een beweegmakelaar/ buurtsportcoach. Deze werkt ook samen met een MEE consulent, team revalidatie centra, jeugdcoach, speciaal onderwijs, kinderopvang, enz.

Vragen m.b.t. Iedereen kan sporten kunnen gericht worden aan : Info@iedereenkansporten.nl
Na deze duidelijke en stimulerende presentatie werden de volgende vragen beginpunt van een interessante interactieve discussie:
– Waar liggen de behoeften vanuit de kinderfysiotherapie in de samenwerking met de buurt sportcoaches?
– Wat wordt er momenteel gemist in de lijn naar de vereniging?
– Waarom blijven vragen voor kinderen met lichamelijke beperkingen achter?

Bij terugkoppeling werd o.a. opgemerkt dat er overal G teams met subsidie zijn, maar geen/weinig teams in de buurt voor kinderen met alleen lichamelijke beperking.

 

Als (kinder)fysiotherapeut maak gebruik van de sportcoaches en andersom ook!

 

Deze interessante lezing is geaccrediteerd met 3 punten!

TAAKANALYSE: Doen wij complex of is het complex?

26 februari 2018

De lezing over ”Taakanalyse: Doen wij complex of is het complex?”,  gehouden door Eugene Rameckers en Ingrid van der Veer  is goed bezocht. De ongeveer 50 deelnemers hebben de inhoud van de lezing over het algemeen als goed beoordeeld, een tiental zelfs als zeer goed. De manier van presenteren werd eveneens over het algemeen als goed tot zeer goed beoordeeld.

De avond begon met een theoretisch gedeelte over taakanalyse. Een taakanalyse is pur sang ‘de taak analyseren’, bv bij rennen ga je een gangbeeldanalyse doen. Een video-opname kan ondersteunende zijn aan het gericht kijken naar een taak. Het hebben van kennis over de taak (met name kennis over specifieke taakeisen, hoe de taak is opgebouwd en de normale ontwikkeling binnen de taak) is noodzaak om een taak goed te kunnen analyseren.

Een kind heeft vrijwel altijd een hulpvraag met betrekking tot een motorische taak. Door deze taak in stukjes te hakken (verdelen in bewegingsfases) kun je beter bepalen in welke fase het probleem ontstaat. Als voorbeeld wordt een video getoond waarin een kind een t-shirt aan/uit trekt. Er wordt duidelijk dat er een complexe handelingsvolgorde is, o.a. klaarleggen, openen, over het hoofd trekken en recht trekken van het t-shirt.

Het model van Actie komt aan bod. Ook worden taakmanipulaties besproken: Verzwaren (bv bij het trainen van kracht), Verbinden (koppeling maken met andere taak of cognitieve belasting) en Veranderen (o.a. materiaal, spatiële en temporele veranderingen). Beide worden gebruikt tijdens het analyseren van de taak.

In het tweede gedeelte worden 2 casussen besproken in een praktijkgerichte workshop. De eerste casus is ‘een DCD-er die moeite heeft met knippen’. De taak knippen is geanalyseerd. Er is gesproken over bewegingsfases, de normale ontwikkeling en de eisen van de taak knippen. Vervolgens is er geknipt, met diverse beperkingen (knippen met niet voorkeurhand, knippen met een visuele beperking en knippen onder tijdsdruk), en is dit geanalyseerd. Knippen is een aangeleerde vaardigheid, waarbij er een stabiliserende en werkende hand is. De schaarvatting is variabel, o.a. met middelvinger/ duim in de openingen of wijsvinger/ duim. Beïnvloedende factoren op de taak zijn o.a. de vorm die je moet knippen, het soort schaar en dikte van het papier.

De tweede casus ‘een DCD-er die moeite heeft met stoppen tijdens het rennen’ heeft ons nog meer inzicht gegeven in het bekijken van de bewegingsfases van een taak: startfase, hoofdfase en afrondingsfase. Duidelijk wordt dat om snelheid te kunnen verminderen er twee mogelijkheden zijn: snellere kortere pasjes of de paslengte verdubbelen.

Het was een interessante avond die nog eens benadrukte dat goed kijken, waar het probleem in de taak ontstaat, belangrijk is om in de behandelfase veel effectiever aan de slag te kunnen gaan.

NB tip: ‘Hudltechnique’ is een app die het mogelijk maakt om video’s vertraagd af te spelen.

Deze lezing is geaccrediteerd met 3 punten.

 

Het programmaboekje met de lezingen voor 2018 kan hier gedownload worden

Motivational Interviewing binnen de kinderfysiotherapie

22 november 2017

Op 22 november gaf Stijn van Merendonk een lezing over ‘Motivational Interviewing binnen de kinderfysiotherapie. Stijn is oprichter en trainer bij Academie voor Motivatie & Gedragsverandering (www.academiemg.nl).

De lezing werd door ongeveer 65 deelnemers bezocht. Stijn werd met zijn zeer enthousiaste en inspirerende manier van presenteren door het merendeel met een “zeer goed” beoordeeld, slechts door een zeer klein aantal met “goed”. De lezing in het algemeen werd door 75 % van de deelnemers als zeer goed beoordeeld, voor 25 % met een goed en door 2 deelnemers als neutraal. Enkele opmerkingen: super; enthousiaste spreker; graag meer voorbeelden kind-ouder; zeer verrijkend; behoefte aan cursus.

Stijn gaf een zeer motiverende lezing waarin hij begon met te vertellen dat hij zelf in de praktijk merkte door kleine dingen anders te doen, hij meer resultaat, dat wil zeggen meer gedragsverandering, zag bij zijn patiënten. Het belangrijkste doel van motivational interviewing (MI) is blijvende gedragsverandering, vooral in de thuissituatie. Je probeert hierbij o.a. de intentie bij de ander te leggen, stiltes te laten vallen in gesprekken, anders te luisteren, veel reflecties te geven en de ander op een prettige manier in beweging te zetten. Op deze avond gaat hij in op de high-lights van MI.

De zelfperceptietheorie komt aan bod: dat wat iemand zichzelf hoort zeggen/ denken, heeft voorspellende waarde voor de toekomst. Hij vertelt daarna over de verschillende soorten van stadia/ taal van verandering: weerstand, behoudtaal (iemand pleit voor behouden van hoe het nu is) en verandertaal (voor iets nieuws of tegen het huidige).

Bij kinderen is het soms ook heel belangrijk om bij ouders gedragsverandering plaats te laten vinden.

Er bestaat intrinsieke motivatie (vanuit de patiënt) en extrinsieke motivatie. Extrinsieke motivatie kan soms sneller werken, maar beklijft vaak niet op lange termijn. Intrinsieke motivatie is opgebouwd uit 5 factoren: Wensen, Kunnen, Redenen, Vertrouwen of het gaat lukken en Nodig vinden om het NU te veranderen. Op ludieke manier legt hij het verschil uit tussen redenen en wensen. Bij een wens kan een persoon invullen ‘ ‘Jippie vanavond…. ’. Hij komt hierbij met zeer sprekende voorbeelden ‘kan ik mijn trouwjurk aan’ ‘zit er een gat in de muur voor het schilderij’. Redenen zijn meer op cognitief vlak: ‘ik moet afvallen’ en ‘ik heb een boormachine nodig’. Als 1 van deze factoren afwezig is, is de kans van slagen op langdurige gedragsverandering heel klein.  Als tip geeft hij aan dat je kunt doorvragen op de factoren die nog ontbreken.

Van ambivalentie is sprake als de patiënt twijfelt, het twee kanten gevoel, zowel behoud- als verandertaal aanwezig. Bij therapeuten geeft dit vaak een reparatiereflex, onze neiging tot: oplossen, overtuigen, confronteren, analyseren, doceren, moraliseren, redden, half luisteren.  Bij ambivalentie wil je eigenlijk dat de patiënt er zelf over na gaat denken en een analyse maken van beide kanten, zonder een oordeel van de therapeut daarover. Je kunt hiervoor de patiënt laten nadenken over de voor- en nadelen van niet veranderen en wel veranderen. Je eindigt vaak met de voordelen van wel veranderen, omdat het laatste vaak het langste blijft hangen.

Hij eindigt zijn verhaal met het bespreken van het ei van Loser, met gedrag, visie, normen en waarden.  Hoe groter de discrepantie bij ‘Dit is wat ik doe, maar past eigenlijk niet bij wat ik dieper van binnen vindt’, hoe groter de kans is op verandering.

Deze lezing is geaccrediteerd met 3 punten.

Diagnostiek en training bij kinderen met kanker

28 september 2017

De lezing over ”Diagnostiek en training bij kinderen met kanker” gehouden door Patrick van der Torre en Peter Bekkering is goed bezocht. De ongeveer 70 deelnemers hebben de avond over het algemeen als goed geclassificeerd, zowel de inhoud als de presentatie.

Ter inleiding werd een korte film over het Prinses Maxima Centrum voor kinderoncologie getoond. Van de deelnemers in de zaal bleek toch nog een groot aantal betrokken te zijn/zijn geweest bij het behandelen van kinderen met kanker.

Patrick startte de boeiende presentatie met uitleg over het medische gedeelte: Jaarlijks worden er 550 kinderen gediagnosticeerd met een bepaalde vorm van kanker. De ziekteverschijnselen worden ingedeeld in ”Child Cancer”. De overlevingskans bij leukemie is groot, streven naar 95%. Zo ook het Hodgkin Lymfoom bij tieners: de overlevingskans is groot, maar ze houden er vaak het vermoeidheidssyndroom aan over. Indien je vragen hebt over de verschillende behandelprotocollen: www.skion.nl. Als Kinderfysiotherapeut kun je inloggen en aanmelden. Als niet lukt dan mailen naar Patrick (mailadres op de powerpoint).
Maar : Wat kan het kind zelf tijdens en na de behandeling? Tijdens deze lezing kwam duidelijk naar voren dat er maximaal bewogen moet worden, vanaf dag 1 al. Een film werd getoond van een meisje met acute leukemie. De belasting- belastbaarheid is natuurlijk per kind verschillend, maximaal
trainen kan d.m.v. bijvoorbeeld een hartslagmeter. Hierbij moet je rekening houden dat zelfs eenvoudige activiteit al veel energie kost. In het algemeen liggen de kinderen 77% van de dag, duidelijk zichtbaar is de achteruitgang in de motoriek, de loopafstand is 80% beperkt, de
beenspierkracht en knijpkracht ongeveer 30% beperkt. Johan van Nes heeft veel studies gedaan bij kinderen met kanker en de tijd erna. Kinderen hebben na de ziekte nog best veel problemen. Lange termijneffecten: 75% van de overlevenden hebben nog negatieve bijeffecten. Kinderen met grotere overlevingskansen doen het beter daarna, maar functioneren toch onder de norm Zorg dat ze actief blijven, hoe langer ze in bed blijven des te langer duurt het om ze op bepaald nivo te krijgen. Functioneel trainen !!! Je kunt niet elke dag maximaal trainen, je moet ook momenten van rust inbouwen. Thuis rustige activiteiten laten doen, bv met hond lopen, fietsen en dan hoog intensief op therapie.

In het tweede gedeelte vertelde Peter ons over m.n. de maligne bottumoren, dit is maar een kleine groep (5%) kinderen, maar ze hebben allen kinderfysiotherapie nodig. Het Ewing sarcoom en het osteosarcoom komen het meest voor. De kinderen komen vaak laat in het ziekenhuis met symptomen als botpijn, nachtelijke pijn, bult, zwelling, pijn, algehele malaise. De klachten lijken dan op een sportletsel. Na drie weken zal van huisarts naar fysiotherapeut verwezen worden. Indien na 3 weken nog geen herstel is, dan heb je niet met sportletsel te maken. Dus doorverwijzen naar specialist. We kregen uitleg over verschillende soorten prothesen, operatieve omkeerplastiek, amputatie. De chirurg beslist vaak, maar ouders en kinderen hebben wel ruimte om mee te denken. Bij amputatie zal de training met kinderfysiotherapie al na 3 dagen gestart worden. Bij een beensparende operatie, is er veel meer kans op complicaties, wel een beter looppatroon daarna. In het algemeen sporten kinderen na botkanker minder.

Deze lezing is geaccrediteerd met 3 punten.

Evaluatie lezing “Afname van de AIMS: hoe nauwkeurig doen we dat?

12 juni 2017

De lezing over AIMS is goed bezocht: 75 deelnemers. De avond werd over het algemeen als goed beoordeeld. Deze lezing is geaccrediteerd met 3 punten.

Dr. Jacqueline Nuysink, drs. Marike Boonzaaijer en drs. Imke van Maren-Suir hebben met hun lezing/ workshop voor een boeiende avond gezorgd. De avond begon met quiz vragen, die daarna uitgebreid besproken werden. Het theoretische gedeelte van de avond ging o.a. over de standaardisatie, psychometrische eigenschappen en normering van de AIMS, het bepalen van het window, het afnemen, scoren en interpreteren van dit meetinstrument. Voor velen was dit een opfrissing van de AIMS, voor enkelen kwamen ook weer nieuwe dingen aan bod.

Het GODIVA-project (methode wordt ontwikkeld en getoetst, waarmee kinderfysiotherapeuten de motorische ontwikkeling van jonge kinderen via filmbeelden gemaakt door ouders kunnen volgen) en de GoAPP-studie (methode wordt ontwikkeld tbv de implementatie voor uitwisseling van videomateriaal in zelfstandige praktijken) werden vervolgens toegelicht. Jacqueline is projectleider hiervan en Marike en Imke doen promotie-onderzoek in deze normeringsstudie.

Vóór de pauze werd een film getoond van een kind en door een ieder gescoord middels de AIMS. Na de pauze werd in kleinere groepen de score besproken en gediscussieerd over de verschillen in score. Vervolgens werd hetzelfde gedaan bij een andere filmopname.

Het was leerzaam om te weten te komen dat er zoveel variatie in de scoring zit en dat het daarom van belang is de manual vaker te hanteren en in discussie te gaan met collega’s over de scoring. Bij elke afname van de AIMS, zoveel als mogelijk de manual ernaast gebruiken. Vooral het praktische gedeelte, het bekijken en scoren van de filmopnames met de AIMS  in kleine groepjes vond men zeer plezierig en zinvol.

Evaluatie lezing ”Het foto-interview: van moetivatie naar motivatie” van Annelies de Hoop

14 maart 2017

De lezing over het foto-interview is goed bezocht. De 40 deelnemers hebben de

avond over het algemeen als goed geclassificeerd, zowel de inhoud als de presentatie.

Annelies de Hoop heeft met haar lezing voor een boeiende avond gezorgd. Volgens Annelies moeten kinderen al zoveel en is het belangrijk dat we de kinderen motiveren om te werken i.p.v. het moeten werken. Bij het foto-interview is de eigen drijfveer van de kinderen het uitgangspunt. Het is een middel voor de kinderen om doelen te stellen. Het wordt gebruikt bij kinderen die onvoldoende gemotiveerd zijn vanaf 7-8 jaar, kinderen die onvoldoende vertrouwen hebben in hun competenties (“Hoe vind ik dat ik het doe” vragenlijst), kinderen die het geleerde onvoldoende kunnen omzetten in de dagelijkse praktijk. We missen soms wat kinderen bedoelen, we denken dat we het snappen. Kinderen moeten we aan het woord laten (OMA thuis laten, gebruik LSD).

De stappen van het foto-interview werden doorgenomen. Benadrukt werd dat ook het stellen van doelen bij aanvang al een interventie op zich is. Dus het foto-interview kost niet veel tijd! Ze vertelde over haar onderzoek met de onderzoeksvraag: “Hoe en in welke mate beïnvloedt het Foto-interview de motivatie voor het leerproces van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in de bovenbouw van een reguliere basisschool”. Hieruit kwam duidelijk naar voren dat het Foto-interview een positieve invloed heeft op de motivatiefactoren en de toename van de autonome motivatie. Op lange termijn kwam dit in de open vragen vooral naar voren; meer begrip, meer inzicht, meer hoop en vertrouwen in het leerproces (ook op de lange termijn). De leerlingen kunnen beter verwoorden hoe ze aan hun doelen willen werken.

Onze rol als therapeut: de kinderen uit de comfort zone halen, maar ervoor waken dat de kinderen in de paniekzone schieten. Vaak moet je als therapeut dan slechts kleine pasjes maken.

Let op: Zelfsturing heeft blijvend steun en aanmoediging nodig.

Als laatste gaf Annelies nog verschillende leerzame voorbeelden uit de praktijk. Hierbij benadrukte ze dat het effectiever is om kinderen te vragen wat ze goed vinden aan hetgeen ze gedaan hebben, dan om te zeggen dat ze iets goed gedaan hebben. Verschuiving van direct naar indirect compliment.

Film van “Marc Lammers over Sylvia Karres” en “Whodunnit” werden aanbevolen door Annelies om te bekijken.

 

Deze lezing is geaccrediteerd met 2 punten. 

Evaluatie Jubileum congres

9 maart 2016

Op 4-3 -2016 werd in de Maaspoort te Venlo het jubileum congres van de 20 jarige RVFK gehouden.

De titel van het druk bezochte congres(100 personen) was “Kinderbrein in beweging, De groei naar volwassenheid”

Marieke Knepper opende het congres, waarna zij het woord gaf aan de dagvoorzitter en medeoprichter van de vereniging Harry Crombag. Hij feliciteerde de RVFK met de bloeiende vereniging(inmiddels 180 leden), benadrukte het belang van de regiofunctie van de RVFK en gaf aan hoe veel complexer het is geworden om aan alle eisen die gesteld worden, m.n. ook t.a.v. de accreditatie , te voldoen.

De ochtend lezingen werden verzorgd door Wendy Peerlings en Arno Derikx. Wendy Peerlings nam de deelnemers mee in haar enthousiaste lezing over de ontwikkeling van het kinderbrein van 0-12 jaar. Arno Derikx gaf op inspirerende en humoristische wijze invulling aan zijn interactieve lezing over de bijzondere wereld van gehechtheid, trauma en hersenverweking en dan m.n gericht op het puberende kind.

In de middag werden er 3 workshops gehouden welke afwisselend door alle deelnemers gevolgd konden worden. Wendy Peerlings gaf in haar workshop over lateralisatie en de werking van dubbeltaken praktische invulling aan dit onderwerp. De workshop van Marco van Roosmalen en Cor van der Donk was gericht op een kennismaking met Transactionele Analyse, welke gebruikt kan worden in de communicatie met pubers. Meta Kierkels sprak over hoe om te gaan met (faal) angst, competentiegevoel en emoties bij schoolgaande kinderen in haar workshop. De jubileum studiedag werd door het grootste deel van de leden als goed verzorgd, informatief, leerzaam en waardevol m.b.t. praktische tips, gewaardeerd. Vele deelnemers gaven aan verdieping te willen t.a.v de lezing van Wendy Peerlings. De R.V.F.K. dankt de deelnemers en is blij met de enthousiaste reacties en gaat in het jaar 2017 weer verder met het organiseren van haar 4 studieavonden.

Evaluatie lezing Scoliosebehandeling volgens de Schroth methode

16 november 2015

De lezing over de scoliosebehandeling volgens de Schroth methode is druk bezorgd. De 80 deelnemers hebben de avond over het algemeen als goed geclassificeerd.

De avond bestond uit 3 onderdelen. Prof van Rhijn (orthopedisch chirurg) is de avond gestart en heeft verteld over de algehele behandeling van scolioses. Daarna heeft de heer Krul wat verteld over bracebehandeling bij scolioses en tot slot hebben kinderfysiotherapeuten Maril Hendriks en Nicole Maas de Schroth -behandeling vanuit de praktijk belicht.

Prof van Rhijn heeft aangegeven wanneer oefentherapie, een brace en operatie geïndiceerd is. Daarbij vertelde hij dat vooral de longfunctie een leidraad voor behandeling is. Heel belangrijk is dat er een behandeling gegeven wordt die aansluit bij de wensen van het kind/gezin en (dus) thuis uitgevoerd gaat worden.

De heer Jos Krul gaf vooral uitleg over het corset wat hij, in samenwerking met het AZM, ontwikkeld heeft. Dit corset is niet zo hoog opgebouwd, waardoor het kind meer vrijheid heeft en het minder opvalt onder de kleding. Het is belangrijk om het corset goed aan te trekken omdat anders de druk niet op de goede plaats gegeven wordt en de correctie onvoldoende is.

Maril Hendriks en Nicole Maas bespraken de 3-dimensionale behandeling volgens Catharina Schroth. Ze illustreerden dit met filmpjes en foto’s. Vooral de concave kant is zwak en moet dus getraind worden, dit gebeurd op het ritme van de ademhaling, waarbij de loodlijn van het lichaam in het midden gehouden moet worden. De ervaring is dat dit tot resultaat heeft dat na een half jaar de kinderen spontaan weer in het lood staan.

Deze lezing is geaccrediteerd met 2 punten.